Het duurde effe, maar inmiddels is het zover. Bijna dan. Bij de lidstaten van de Europese Unie is er voldoende steun vergaard voor een handelsovereenkomst met vier Latijns-Amerikaanse landen. De boeren in Argentinië, Brazilië, Paraguay en Uruguay zien het helemaal zitten. En daar wringt ‘m de schoen. Want hun agrarische evenknieën in Europa weten het zo net nog niet. Zij hebben de voordelen minder scherp in het vizier. Noem ’t het verschil tussen een roze en een groene bril.
Gewoonlijk lopen agrarische ondernemers te hoop tegen een teveel aan regels. Dit keer is het andersom. Zijn ze juist beducht voor te weinig. Zuid-Amerikaanse boeren lijden immers stukken minder onder regelzuchtige regeringen. Geen probleem, voor zover het koffie en sinaasappelen betreft. Maar, zo menen de Europese veehouders, telers en tuinders, er komt meer dan een ‘awful lot of coffee from Brazil’.
Die, overigens niet geheel ten onrechte, bezorgdheid voor onbalans en scheve concurrentieverhoudingen hebben de EU-onderhandelaars weten te beteugelen met quota en noodremconstructies, bezweren ze. Volgens hen is het verdrag rijp om te worden ‘geplukt’. Invoeren die hap, liever vandaag dan morgen. Me dunkt, het werd tijd, na ruim vijfentwintig jaar onderhandelen, zo is het gevoelen in Brussel.
Het Europees Parlement is minder overtuigd van alle zegeningen en wil, alvorens akkoord te gaan, van het Europese Hof van Justitie weten of de inwerkingtreding van de ‘historische’ handelsovereenkomst zomaar kan, zonder ratificatie door de nationale parlementen. Krijgen de Europarlementariërs hun zin met deze blokkade dan hebben wij, kartrekkers in de supply chain, twee jaar respijt om als de wiedeweerga ons Spaans op te poetsen. Hola, muy bien!
Dat het bedisselen van een aparte overeenkomst de handel met het zuidelijk deel van het Amerikaanse continent in een stroomversnelling raakte, komt mede door de snelle opeenvolging van allerlei turbulente geopolitieke aberraties. Het enige positieve eraan is dat de Europeanen, qua handelsbeleid, aan het genezen zijn van hun ‘Chinese’ en ‘Amerikaanse’ blikvernauwing. Er blijkt buiten die twee grote naties nog een heleboel wereld over te zijn waarmee het goed handeldrijven is.
Ook in het Caribisch gebied daalde dat besef in. Zo is de afstand tussen Aruba, behorend tot het Koninkrijk der Nederlanden, en Venezuela slechts dertig kilometer. In zekere zin zijn Nederland en de landen, gelegen aan de noordkust van Zuid – Amerika directe geografische buren. Wat me daarom bij de Amerikaanse kidnapping van het Venezolaanse staatshoofd misschien nog wel het meeste trof, behalve het bananenrepubliekachtige ervan, was de kalmte van de berichtgeving in de Nederlandse media. Alsof het een ordinaire ruzie betrof van omwonenden in een aanpalende woonwijk waarmee we het liefst zo weinig mogelijk te maken wilden hebben. Meer een gevalletje voor de Rijdende Rechter.
Noem het een vorm van ontdekkend winkelen, je kuiert door een winkelstraat en je oog valt op iets in een etalage, zoiets. Want sinds het nieuwste vrijhandelsakkoord met ‘het Latijnse zuiden’ vroeg ik me af waarom ‘onze’ Benedenwindse Eilanden niet zijn inbegrepen? Ik wijs slechts op de diepe wens van een Amerikaanse olieboer om op Curaçao Venezolaanse olie te raffineren om er asfalt van te maken. Wat me, gezien de teerachtige structuur van die bodemschat bij Caracas, nog niets eens zo’n gek idee lijkt.
Maar voor de rest weet ik het eerlijk gezegd nog niet zo gauw – ik zal het mijn verhuizende collega binnenkort eens vragen – wat er op ‘onze’ ABC-eilanden nog anders te verhandelen valt dan het product: toeristische gastvrijheid. Goed voor de economie maar, strikt genomen, is zon geen commodity en kunnen de in- en uitgaande vakantiegangers moeilijk onder het kopje: im- en export worden ondergebracht.
Desalniettemin hebben Aruba, Bonaire en Curaçao goede kaarten in handen om te gaan fungeren als logistieke ‘Zuid As’ voor het Zuid-Amerikaanse bedrijfsleven; inclusief Chili en Peru tot en met Suriname. Welhaast gelegen op de lip van het Mercosur-kwartet kunnen de drie eilanden, naar believen en inzicht, uitgroeien tot het snorretje erboven of de lipstick erop. Wellicht dat het officieuze Curaçaose staatsmotto: ‘Niets moet, alles mag’ voor een serieuze en succesvolle dienstenexpansie dan enige subtiele nuancering behoeft.
Maar voor de rest zou ik zeggen: een ABC-tje. Hopi bon fortuna!
Casper Jansen