Ken u klassieken! Maar welke? Een tijdlang domineerden Athene en Sparta het Griekse politieke landschap. Het belang van een gezond machtsevenwicht had van beide stadstaten bondgenoten kunnen maken. Maar de hang naar competitie en gevoelens van superioriteit zaten samenwerking danig in de weg.
Toch waren het niet primair de beduidende verschillen maar hun ruziënde vazalstaatjes die gewapende conflicten uitlokten. Die geschillen konden over van alles en nog wat gaan. Over tarieven of andere protectionistische treiterij. Of zo’n afhangeling liep, gewoon gedreven door kinnesinne, over naar de tegenpartij. Het koeioneren van de een werd dan ingeruild voor de bulle bakkerij van de ander. Dit polariserende ‘lood om oud ijzer’ noopte Athene en Sparta vervolgens om partij te kiezen.
De strafexpedities of belangenverdediging die erdoor ontstonden, werden dus minder veroorzaakt door directe confrontaties tussen de twee ‘grootmachten’ maar meer door futiele fricties tussen facties, binnen en buiten hun invloedsfeer. Lijkt een beetje op de gang van zaken bij het WK-voetbal toen door Buenos Aires nieuw leven werd ingeblazen door de Argentijnse claim op de Falklandeilanden. Een nationalistisch gebbetje dat de ‘Iron Lady’ van het Verenigd Koninkrijk verleidde om oorlog te voeren om het bezit van enkele eilandrestanten van het Britse Rijk – dat vijftig jaar eerder nog circa een kwart van het aardoppervlak besloeg – veilig te stellen. Linke soep.
Nederlanders gaan er prat op dat ze zich door niets en niemand de wet laten voorschrijven. ’Die laat je in hun waarden’. Die eigengereid voeren ze graag terug tot de tijd dat de ‘lage landen bij de zee’ nog bij Spanje hoorden. De Nederlanders waren weliswaar bereid om de Koning van Spanje te eren mits hij zich zo weinig mogelijk met hun zaken bemoeide. Toen hij dat toch deed, was de boot aan. We besloten zelf te regeren. ‘Samen over ons eigen.’
Wat ons er overigens niet van weerhield om – min of meer tegelijkertijd – een stelletje eilandvorstendommen in de Stille Oceaan doodleuk van hun soevereiniteit te beroven en er één groot wingewest van te maken. Voortaan deelden wij er de lakens uit en bepaalden voor wie de nootmuskaat en kaneel waren. Eerst de VOC, later het koloniaal landsbestuur. Tot de Tweede Oorlog. Toen vonden de bewoners van ‘Nederlands-Indië’ het welletjes en presenteerden zij de ‘blanda’s’ een koekje van eigen deeg. ‘Opgehoepeld jullie!’
Dat het oneindig vermogen om zich niet neer te leggen bij de werkelijkheid een eigenschap is die niet alleen in de psyché van de leiders van de Atheners en Spartanen huisde, bewees de Nederlandse regering. Niet bij machte de tanende macht te verkroppen, werd een soort van oorlogje ontketend om de Soevereiniteit van Nieuw-Guinea. In weerwil van het feit dat het finale akkoord van het kolonialisme in andere delen van de wereld reeds luid en duidelijk had geklonken, modderde Nederland nog een tijdje door. Het werd een sof. Niet weten wanneer je tijd voorbij is. ‘Dat bedoel ik nou’, zou Thucydides ongetwijfeld hebben gezegd.
We hebben het nou wel steeds over die Thucydides. Maar wie was hij? De man staat bekend als de grondlegger van de geschiedwetenschap en de historische kritiek. Geen Griekse palingvisser, in ieder geval. Athener, van goede komaf, welgesteld vanwege inkomsten uit een gepachte goudmijn. Tijdens een van de oplaaiende vijandelijkheden met Sparta werd hij benoemd tot generaal en naar het hoge noorden gestuurd, waar de antagonist een bondgenotenstad belaagde. Die missie liep voor Thucydides uit in een debacle. Gelukkig voor ons hield hij er de ambitie aan over om het hele verloop van de kamp tussen de twee aartsrivalen zo nauwkeurig en waarheidsgetrouw beschrijven. Zo dat het kon dienen als ‘een geschenk voor eeuwen’.
Casper Jansen (wordt vervolgd)