De populariteit van Sinterklaas is hard achteruit aan het kachelen. Zou te wijten zijn aan de onmin die de laatste jaren is gerezen rond zijn entourage van zwart geschminkte krompraters die rechtstreeks uit een foute vaudevillevoorstelling leken te zijn geplukt. De laagdrempeligheid waarmee schnabbelende brabbelaars en schmierende variétéartiesten hun kunstjes vertoonden, was er zelfs debet aan dat erover werd gestruikeld. Fake-schoorsteenvegers die gekleurde mensen in het ootje namen. Met die guitige gitten werd – bedoeld of onbedoeld – gerefereerd aan de slavernij. ‘Trap ze eruit’ was het advies aan de bisschop.
Tegen deze remedie ontstonden bezwaren. Het zou bij die malle schoensmeer Pieten immers om een traditie gaan. ‘Moet dat nou? Er is al zoveel waardevols verloren gegaan. Ze horen er gewoon bij!’. Voor solidariteit met werknemers van kleur valt in het algemeen veel te zeggen maar niet dat zij, qua personage, onvervreemdbaar onderdeel uitmaken van een traditie.
Wie de annalen erop naslaat, ziet dat Nicolaas door de eeuwen heen zijn eigen heilige boontjes heeft gedopt. Van acolieten, van welke continentale komaf of huidskleur, was geen sprake. Hij klaarde zijn canonieke klus in z’n eentje. Zijn periodieke huisbezoek behoorde tot een vaste lijn van geaccepteerde werkzaamheden die hij gewoon was uit te voeren. Dit argument werd des te geloofwaardiger door te benadrukken dat hij niet alleen kwam voor de gezelligheid of om te behagen, maar ook om conduitecijfers uit te delen. Daarbij nam hij voor lief dat de goedheiligman, ondanks alle gulle gaven, in kinderogen toch altijd een beetje een boeman bleef.
Het Grote Misverstand van een kerkvorst, omringd door een horde krompraters in spanbroeken, werd gecreëerd door een bovenmeester die anderhalve eeuw geleden een sinterklaasboekje schreef waarmee hij in een omdraai van de katholieke Sint-Nicolaas een seculiere Sinterklaas maakte. Nog wél met de episcopale outfit en zich voortbewegend op een huppelende schimmel.
Sterk aan die hybridiserende gedaantewisseling was zijn wijze van aankomst. Waar voorheen zijn gangen nauwelijks of niet konden worden nagegaan, verscheen hij nu controleerbaar. Per stoomboot. Na een lange reis, helemaal uit Spanje. Waarom daar vandaan behoort tot op de heden tot de onopgeloste mysteriën.
Aanvankelijk werd hij begeleid door één gekleurde olijke duvelstoejager die de rekeningen betaalde en het zware werk deed. Waaronder het in de zak stoppen van stoute kinderen want die corrigerende taak had de vernieuwde sint zich niet af laten nemen. Waarschijnlijk om aannemelijker te maken dat de fondantmuizen in de gezette schoenen ’s nachts via de schoorsteen werden gedistribueerd, groeide het aantal pietermanknechten met beroete tronies gestaag.
Het imago van de Sint veranderde mee. Het algemene beeld dat, op basis van het nieuwe narratief, ontstond was dat van een kindervriend en tevens iemand met een warm hart voor de middenstand. Koekenbakkers, tollendraaiers en poppenmakers, allemaal hadden zij zijn zegen. Hun streven naar hogere omzetten resulteerde er tevens in dat de aanloop naar het ‘heerlijk avondje’ werd verlengd. Een durfal onder de winkeliers kwam half november al met pepernoten op de proppen. Wie toen waarschuwde dat die termijn uiteindelijk zou worden opgerekt tot medio augustus zou voor ‘malle pietje’ zijn uitgemaakt en iets gemompeld hebben over een speculaascomplot.
Op zeker moment raakte de magie van de oude heilige uitgewerkt. Na ruim duizend jaar deden de jaren zeventig van de vorige eeuw hem de das – pallium – om. Er woei een nieuwe wind. Alles moest anders. Ook Sinterklaas diende te worden opgefrist. De bijl aan de wortels van de statuur van vrijgevige wonderdoener werd evenwel niet gelegd door de kinderen maar werd gehanteerd door hun ouders. Opvoeders voelden zich plotsklaps ongemakkelijk bij een verhaal dat wel beschouwd nergens op sloeg. De vraag of het op de mouw spelden van sinterklaasverhalen niet geschaard diende te worden onder het afleggen van valse getuigenissen die de kinderziel schade zou kunnen berokkenen, werd een existentiële kwestie.
Zouden die leugentjes later, wanneer de waarheid boven water was gekomen, geen aanleiding kunnen geven voor heftige verwijten of zelfs de bron kunnen vormen voor een permanente verwijdering tussen ouder en kind? Het maakte dat de ‘tik op het raam’, hoe zachtjes ook, de oorverdovende kracht kreeg van het laatste oordeel.
Sint Nieklaas saboteerde de vooruitgang. Hij werd een sta-in-de-weg. Een ‘eerlijk avondje’ werd in de sociaal-agogische steigers gezet.
De klerikale make-over die het gevolg was van die ‘democratiseringsgolf’, heeft de Sint geen goed gedaan. De opluchting dat er geen verdwaalde vreemdeling meer op de stoep stond maar een ingehuurde beunhaas die snoep rondstrooide in de een of andere hoek terwijl de dreigende roe de vorm aannam van een beknorrend kneepje in de wang, bleek funest voor de status van het instituut. Sint-Nicolaas werd als het ware gedegradeerd tot een lieve opa met een malle muts op. Van griezel tot goeierd voor wie niemand meer bang hoefde te zijn. Zelfs niet een beetje.
Griezelen is gezond. Het leert ons om te gaan met angst. Die onschuldige vermakelijkheden rond het doen en laten van Sinterklaas – hoor wie klopt daar kinderen – creëerde een milde spanning die na het ‘heerlijk avondje’ als vanzelf weer verdween. In het gat dat ontstond door het ont-griezelen van de Sint, is Halloween gesprongen. Een soort spookhuis, bewoond door spoken, geesten, duivels, weerwolven, heksen, zombies, Dracula’s, Druïden, vampiers en andere gotische stuipenjagers. Wezens die niet warmlopen voor de orde rond braaf versus ondeugend. Maar lekker stout willen zijn in de kille gruwel van de nachtelijke zelfkant. Horror versus Romantiek. Duister contra Pastoraal. Veelal in het zwart, op z’n Piets.
Opmerkenswaardige overeenkomst: Sinterklaas en Halloween zijn allebei komedies. Er wordt een spel gespeeld. Wel met een kenmerkend verschil. De catharsis, de bevrijding van opgekropte spanning die sinterklaasavond zo louterend maakt, ontbreekt bij Halloween. Wat zich tijdens de nacht tussen Allerheiligen en Allerzielen afspeelt, is flirten met stress. Een soort psychedelische bungeejumping. De kick is de beloning.
Halloween kent geen echt verhaal. Ja, het is waar, af en toe treedt er een Keltische ‘Janus met de Lantaarn’ uit de duistere coulissen. Een gewiekst ventje dat er prat op gaat meermalen Satan in de maling te hebben genomen. Knap, daar niet van. Maar toch niet meer dan een vlaakkeren waxinelichtje in een uitgeholde pompoen. Een staat van dienst zonder ware noblesse.
Zo’n creatuur moet de Sint toch makkelijk de baas zijn. Niet door de gedaante van een slasher aan te nemen – wat al te rigoureus – maar door de stagnatie in zijn curriculum op te heffen en weer de daken op te gaan en daar zijn dienstwillige dienaar te vragen of hij ook ongehoorzame kinderen ziet. Want, zo wil de moraal, waar stouterds zijn, zijn ook lieverds. Een boodschap die nog niets van zijn waarde verloren heeft en we in deze tijd bovendien best gebruiken. ‘Dank u, Sinterklaasje’.
Dan wordt er op 5 december ’s avonds weer aan de deur geklopt – om het even of het hard of zacht is – dan weten we wie we weer in ere moeten herstellen. Dan is bekend wie ons uit het donker tegemoet treedt – met een spannend verhaal – waardoor het onnodig is te roepen: ‘Hallo! Wie is daar?’
Mooie, spannende verhalen vertellen! Storytelling! Een vaardigheid die alle moderne leiders serieus zouden moeten nemen. Zeker vandaag de dag. Verbindend, inspirerend en motiverend!
Casper Jansen