Je kon erop wachten: pakketkluisjes rukken op, de openbare ruimte in. Die pakketpuntenoptie was er altijd al, maar de consument wilde het liever thuisbezorgd krijgen. Op de deurmat. En gratis. En zo gebeurde het ook. Daar kon geen geautomatiseerd pakkerkluisje tegen op.
In de buurt, op loop- of fietstafstand, is toch ook gemak, zou je zeggen. Gewoon op weg naar school of kantoor, na een bezoek aan de supermarkt of gewoon tijdens de dagelijkse joggingroutine. Een jaar of 20 geleden brachten we met een groep ondernemers uit de regio zo’n handig gelegen afhaalpuntennetwerk al in de praktijk in de vorm van Clickers: een marktplaats met regionale ondernemers gekoppeld aan een afhaalpunt bij de klant in de buurt. Het idee was én is nog steeds goed denk ik, maar we waren natuurlijk veel te vroeg, misten de ‘power’ en zo waren er nog wel meer argumenten te verzinnen die het succes in de weg stonden.
En dus werd bezorging aan huis de easy finale van het luie shoppen. En zo werden haastende en hijgende pakketbezorgers een vertrouwd straatbeeld. Helaas werd de bezorgbelofte niet altijd waargemaakt. De ene keer klopte de mail met de tijdstipmelding niet. Een andermaal was het volgsysteem weliswaar reuze spannend maar niet honderd procent accuraat. Een en ander resulteerde in afleverstress bij bezorgers en wrevel bij ontvangers. Hete kolen – situaties. Reclameren had weinig zin want de volgende keer was er weer een andere afzender of een andere bezorgdienst; of allebei.
Zo ontstonden er scheurtjes in de stilzwijgende afspraak tussen brenger en ontvanger waardoor op den duur de klant minder vaak ‘niet-thuis gaf. ‘Zo komen tóch niet of te laat’. Eerst werden de buren de dupe. Daarna werden de officiële afhaalpunten steeds drukker. Soms zo druk dat zich bij seizoenkooppiekmomenten rijen vormden met ongeduldige, het wachten ontwende, afhalers.
Tegelijkertijd werd er door leveranciers gemorreld aan kosteloos van alles en nog wat op de drempel droppen. De pakketbezorging maakte een stille transformatie door. Waarvan iedereen, in min of meer mate, deelgenoot werd gemaakt. De consument, getergd doordat de vrijheid van het zorgeloos bestellen niet langer synchroon liep met het vol verwachting kloppende hart tijdens het luisteren naar het geluid van de deurbel. De retailers die paal en perk begonnen te stellen aan de, ooit met zoveel bombarie gepropageerde, ordervrijheid en -blijheid. De pakketbezorgingsdiensten die de webwinkeliers er steeds dringender op begonnen te wijzen dat het laten rijden van al die bestelbusjes eigenlijk een heel dure aangelegenheid was.
De shoppende samenleving werd zoetjesaan rijp gemaakt voor een simpeler logistieke service. Voorstel: bezorgers leveren voortaan pakketten af bij een locker in een kluisjesmuur. De klant kan diens bestelling daar ophalen met een code of via een app. Op elk gerieflijk moment. De vrijheid van de webwinkelbezoeker opnieuw gedefinieerd.
Maar ja, wie zet al die pakketkluisjes neer? En waar komen ze te staan? Diverse retailers hebben al de vlucht naar voren genomen en publieksvriendelijke plekken gevonden. In supermarkten, bij sportcentra of binnen winkelcentra. Het plaatsen van pakketpunten is zelfs uitgegroeid tot een verdienmodel. Dat kan nog lucratiever als de openbare ruimte in de binnensteden erbij kan worden betrokken. Lobbyen dus. Druk uitoefenen op de lokale overheid die de straten en pleinen beheert.
De gezondste belangenbehartiging is die waarbij de separate doelen – eventueel om totaal verschillende redenen – congrueren. Dat valt af te leiden uit de argumenten die hun weg hebben gevonden naar de gemeenteraden. Zij moeten de weg vrijmaken voor de komst van pakketmuren op straat. Want in de publieke ruimte zouden bestelbusjes opstoppingen veroorzaken, winkelend publiek van de sokken rijden en meer van dat ongemal.
Minder aan- en afrijdende koeriers. Hoe weldoende zou dat niet zijn. Alleen, het gemeentelijk beleidsproza dat ervoor op los wordt losgelaten, heeft iets geforceerds.
In de hoofdstad van ons land worden elke dag ruim honderdduizend pakketten bezorgd. De meeste thuis. Hoeveel Amsterdammers moet je de deur uit krijgen om dat aantal drastisch te verminderen? Hoeveel mini-distributiecentra hebben we dan nodig? In Den Haag, Utrecht en Rotterdam? Walls of Sale & Distribution.
Dat met het schetsen van een – al of niet denkbeeldig – probleem de barricades als vanzelf worden geslecht, heeft toch iets als vragen naar de onbekende weg. Een typische overheidszonde. Makkelijker geroepen dan geïmplementeerd. Want de regeltjes, hé. Wil niet zover gaan om het hele concept: straatkluis ter discussie te stellen. Maar Ik zie het al voor me. De vragen, bedenkingen, bezwaren.
Zo’n kluis, oranje, kan dat eigenlijk wel? In die atavistische brievenbuskleur. Patriottistisch straatmeubilair is dat niet een beetje té? Een pakketje via internet bestellen, daar is toch niets vaderlandslievends aan? OK! Geel dan. Maakt gelukkig, zeggen ze, die kleur. Maar welk geel. Banaan, stoplicht, frietsaus, zonnebloem?
Wat te denken van die locatie, daar. Al die deurtjes, zo pal naast de gedenknaald voor de Laatste Garnaal, is dat wel esthetisch, qua kunstbeleving en zo? Hoe ‘zorgvuldig’ pas je zo’n locker in? Niet dus. Ze komen er gewoon bij. Net als reclamezuiltjes, transformatorstations of foodtrucks.
En de beveiliging, hoe zit ’t daarmee? Bewakingscameraatjes die, conform de Algemene Verordening Gegevensbescherming, niet de afhaler registreren maar wel de potentiële plofkraker, zijn die al zo slim?
Er valt nog veel te regelen. Daarom verklaar ik de discussie over de openbare kluisjes voor geopend.
Casper Jansen