Er moeten meer treinen gaan rijden tussen Nederland en België. Maar dat gaat niet over de bestaande rails. De onderlinge spoorverbindingen moeten uitgebreider. Op zijn zachtst gezegd, is het reisaanbod nogal pover. En dat tussen twee landen die historisch, economisch, cultureel en linguïstisch van alles met elkaar gemeen hebben.
Verbinden is het politiek correctie modewoord in het openbaar bestuur. Vooral omdat niemand precies weet wat het betekent of hoe het moet, is ‘verbinden’ razend populair. Voelt goed: verbinden. Ook bij pleidooien voor extensivering van het onderhavige treintraject is dit jargon behulpzaam. Want het huidige personenvervoeraanbod bestaat ‘slechts’ uit drie spoorverbindingen. Grensoverschrijdend, dat wel. Maar vraag niet hoe.
De belangrijkste is het spoor tussen Breda en de Noorderkempen. De treinen van Rotterdam, via Antwerpen, naar Brussel, gaan over dat traject. Dan is er nog de route van Antwerpen, via Roosendaal, naar het Duitse Essen. Een veredelde regionale verbinding met sprinterallure. Als derde is er de Drielandentrein die van Aken, via Maastricht, naar Luik rijdt. Een met veel bombarie aangekondigde internationale verbinding met een hoog boemelgehalte.
Om precies te zijn: België en Nederland hebben het over een studie naar een directe treinverbinding tussen Eindhoven en Brussel. Geen overbodige luxe. Eindhovenaren die nu die treinreis willen maken, zijn tweeëneenhalf uur onderweg; de overstap nog niets meegerekend. Half uur langer dan van Den Haag naar Brussel. Voor regenten, diplomaten en lobbyisten niet zo’n heel erg groot probleem, zou je zeggen. Gezeten in hun Eerste Klas Stilte Coupé klappen zij hun laptop open en gaan aan het werk. Hebben ze vertraging, geen nood. Dan hebben ze bij aankomst hun rapport of beleidsnota af. Of al verstuurd.
Maar bij dit spoorplan staat niet ons regeringscentrum centraal maar Eindhoven. Sinds een paar jaar hebben we het dan niet de ‘Lichtstad’. Maar over een Brainport. Een kennisknoppunt voor hightech maakindustrie, design en technologische industrie. Ongetwijfeld werken ook daar ook bekwame bestuurders maar bij dit breinpark draait het om andere knappe koppen. En waar moeten die genieën, werkzaam bij de Technische Universiteit en in het omringende bedrijfsleven, heen, ter verbreding en verdieping van hun kennis en avancerende ideeën? Niet naar Brussel, maar – spreekt haast vanzelf – naar de buren in de eeuwenoude universiteitsstad: Leuven.
Je zou zeggen dat het met de huidige communicatiemiddelen weinig uitmaakt waar en hoe de wetenschap zich een weg baant door onderzoekruimtes, proeflokalen of experimenteerkamers. Maar zo simpel is het niet. Het is algemeen bekend dat ‘creatieve’ industrieën graag in elkaars nabijheid innoveren. Bij wetenschappers werkt dat niet anders. De talloze bedrijvenclusters, overal ter wereld, laten dat ook zien. Ook de breinwerkers, pendelend tussen Leuven en Eindhoven, zijn gebaat bij persoonlijke banden en een meer dan digitale dynamische connectiviteit.
De vraag is evenwel of de duur van een reis per trein – oftewel zo’n omwegje via Brussel – de vooruitgang écht vertraagt of zelfs belemmert. Dacht het niet!
Volgens mij gaat het om iets anders, iets groters, meer pan-Europees van snit.
De snellere en meer efficiënte verbinding tussen Eindhoven en Leuven, immers gelegen op fietsafstand van de Belgische hoofdstad, dient om de creatie van een grensoverschrijdend breinpark te visualiseren. Een her-uitvinding van het bureaucratische construct: Euregio. Maar dan zonder bureaucratische stroop maar met allure. Een samenvoeging van een noordelijk en een zuidelijk Brabant. Wat je met een beetje historische staatkundige fantasie zou kunnen vergelijken met het Hertogdom Brabant. Zoiets voel je toch op je klompen aan!Casper Jansen (wordt vervolgd)