Groei wordt over het algemeen gezien als iets positiefs. Een stijgende omzet, nieuwe verkoopkanalen, uitbreiding van het assortiment of internationale expansie zijn immers tekenen dat een onderneming zich ontwikkelt. Tegelijkertijd stelt die groei steeds hogere eisen aan de supply chain, omdat meer omzet vrijwel altijd ergens in de keten wordt vertaald naar meer voorraad, orders, picks, inbound of transportbewegingen. De vraag die dan al snel op tafel komt, is of er voldoende capaciteit beschikbaar is om die groei op te vangen. Maar wie schaalbaarheid alleen als capaciteitsvraagstuk benadert, kijkt wat ons betreft te beperkt.
Een supply chain kan vandaag uitstekend functioneren en tegelijkertijd nauwelijks schaalbaar zijn. Schaalbaarheid wordt namelijk niet alleen bepaald door de hoeveelheid beschikbare vierkante meters, medewerkers of equipment, maar ook door de kwaliteit van data, de scherpte van de klantbelofte en het vermogen om vooruit te kijken. Daarnaast spelen afhankelijkheden in de keten en de mogelijkheden om alternatieven in te zetten een belangrijke rol wanneer de werkelijkheid anders loopt dan gepland. Uiteindelijk gaat het om de vraag hoe snel en effectief het Operating Model kan meebewegen wanneer volumes, klantvragen of omstandigheden veranderen. Vanuit die gedachte onderscheiden we bij SCEX vijf samenhangende elementen die bepalen hoe schaalbaar een supply chain werkelijk is.
Met je voeten in de diepvries en je hoofd in de magnetron is de gemiddelde temperatuur best aangenaam. Een absurd voorbeeld natuurlijk, maar in supply chain en logistiek doen we soms precies hetzelfde door te sturen op gemiddeldes. Gemiddeld 38 TEU per week, 10.000 verkooporders per dag, 2,8 orderregels per order, 120 picks per uur of een bezettingsgraad van 85% zijn allemaal nuttige kengetallen. Wie wil begrijpen hoe schaalbaar een operatie werkelijk is, heeft aan die gemiddeldes alleen echter niet genoeg.
Een operatie wordt namelijk zelden uitgedaagd door het gemiddelde. Het zijn juist pieken, dalen, spreiding en afwijkingen die bepalen wat een operatie werkelijk aankan. Die 10.000 orders per dag vormen bijvoorbeeld een heel ander capaciteitsvraagstuk wanneer 40% tussen 15.00 en 17.00 uur binnenkomt dan wanneer het volume gelijkmatig over de dag is verdeeld. Hetzelfde geldt voor een gemiddelde van 2,8 orderregels wanneer tijdens een promotie zowel het aantal orders als het aantal orderregels per order sterk toeneemt. Op papier kan het gemiddelde dus prima kloppen, terwijl in de operatie wel degelijk een probleem ontstaat.
Om schaalbaarheid goed te kunnen beoordelen, is daarom operationele data op voldoende detailniveau nodig. Die data moet compleet, accuraat en betrouwbaar zijn en niet alleen laten zien hoeveel volume wordt verwerkt, maar ook wanneer het binnenkomt, waar het ontstaat, welke variatie erin zit en welke factoren elkaar beïnvloeden. Pas dan wordt zichtbaar waar de operatie begint te knellen en hoeveel docks, expeditieruimte, resources, MHE, ladingdragers, opslag- en picklocaties of transportcapaciteit werkelijk nodig zijn. Dat is ook waarom we bij SCEX datagedreven werken: voor het nemen van capaciteitsbeslissingen is ‘ik denk dat’ simpelweg onvoldoende en willen we naar ‘ik weet dat’.
Dashboards spelen daarin een belangrijke rol, omdat ze data vertalen naar inzicht en transparantie. Het gesprek gaat daardoor niet langer over aannames of onderbuikgevoel, maar over wat er daadwerkelijk in de operatie gebeurt en waarom. Dat maakt het mogelijk om gerichter bij te sturen, betere investeringsbeslissingen te nemen en te voorkomen dat capaciteit wordt toegevoegd op plekken waar het werkelijke probleem helemaal niet zit. Schaalbaarheid begint wat ons betreft dan ook niet bij méér capaciteit, maar bij weten welke capaciteit je wanneer écht nodig hebt.
Als je weet wat er in de operatie gebeurt, volgt een fundamentelere vraag: waarvoor richten we die capaciteit eigenlijk in? Voor SCEX vormt de klantbelofte de basis van het Operating Model, omdat je de supply chain uiteindelijk inricht om die belofte iedere dag opnieuw consistent waar te kunnen maken. Die klantbelofte moet daarom veel specifieker zijn dan een algemene uitspraak als ‘vandaag besteld, morgen geleverd’. Juist de details van die belofte bepalen voor een belangrijk deel hoe processen, voorraad, systemen, organisatie en capaciteit moeten worden ingericht.
Het maakt bijvoorbeeld nogal uit tot hoe laat een klant mag bestellen, binnen welke termijn vervolgens wordt geleverd en welke leverbetrouwbaarheid daarbij wordt beloofd. Een cut-off tijd van 12.00 uur geeft een warehouse aanzienlijk meer tijd om orders te verwerken dan een cut-off om 22.00 uur, terwijl een leverbetrouwbaarheid van 99,5% andere eisen stelt aan voorraad en capaciteit dan 95%. Ook de vrijheid die een klant krijgt om te bepalen waar, wanneer en hoe wordt geleverd, vertaalt zich naar extra variatie die ergens in de operatie moet worden opgevangen. Een aantrekkelijke commerciële propositie kan daardoor operationeel een behoorlijk prijskaartje krijgen.
Daar komt bij dat er niet automatisch één klantbelofte voor de hele onderneming hoeft te bestaan. Een B2B-klant die volle pallets bestelt, heeft immers andere behoeften en een ander logistiek profiel dan een consument die één artikel via een webshop koopt. Een marketplace kan vervolgens weer specifieke eisen stellen aan beschikbaarheid, cut-off tijden en levertijden. Daarom maken we de klantbelofte bij voorkeur specifiek per Product-Marktcombinatie (PMC), zodat duidelijk wordt wat je belooft, aan wie je dat belooft en onder welke voorwaarden.
Dat is ook het moment waarop klantbelofte en schaalbaarheid elkaar nadrukkelijk raken. Een scherpe klantbelofte geeft richting aan de keuzes in het Operating Model en daarmee aan de capaciteit en flexibiliteit die nodig zijn om groei op te vangen. Te veel capaciteit is kostbaar, terwijl te weinig capaciteit de klantbelofte onder druk zet; beide hebben uiteindelijk impact op het ondernemingsrendement. De uitdaging is dus niet om zoveel mogelijk capaciteit te organiseren, maar om precies die capaciteit en flexibiliteit beschikbaar te hebben die nodig zijn om de gekozen klantbelofte ook tijdens groei te blijven waarmaken.
Wanneer duidelijk is wat de operatie vandaag doet en welke klantbelofte ook morgen moet worden waargemaakt, ontstaat de volgende vraag: wat komt er de komende jaren eigenlijk op de supply chain af? Niemand weet precies hoe de toekomst eruitziet, terwijl we vandaag wel beslissingen nemen die bepalend zijn voor de capaciteit van de komende maanden of zelfs jaren. Investeren we in extra opslagruimte, extra docks of MHE, nemen we meer vaste medewerkers aan of organiseren we juist meer flexibiliteit? Om die beslissingen onderbouwd te kunnen nemen, hoeft de toekomst niet exact voorspelbaar te zijn, maar moet deze wel voorstelbaar worden gemaakt.
Dat doen we door verschillende toekomstscenario’s te ontwikkelen en die vervolgens concreet te vertalen naar de operatie. Wat gebeurt er bijvoorbeeld wanneer de omzet harder groeit dan verwacht, marketplaces een groter aandeel krijgen, het assortiment fors groeit of de promotiedruk toeneemt? Daarbij doen de details ertoe, want 20% omzetgroei zegt voor een logistieke operatie op zichzelf bijzonder weinig. Het maakt nogal uit uit welke Product-Marktcombinatie die groei komt en hoe het logistieke profiel daardoor verandert.
Groei via e-commerce kan bijvoorbeeld betekenen dat het aantal orders veel harder stijgt dan het aantal verkochte stuks, terwijl assortimentsgroei juist kan leiden tot meer slow movers, voorraad en benodigde opslag- en picklocaties. Daarom vertalen we scenario’s eerst naar volumes en logistieke profielen, vervolgens naar workload en uiteindelijk naar de benodigde capaciteit. Inboundvolumes, containers, pallets, voorraad, orders, orderregels en picks worden zo vertaald naar resources, MHE, docks, expeditieruimte, opslag- en picklocaties en transportcapaciteit. De essentie daarvan is een eenvoudige keten van oorzaak en gevolg: scenario → volume & profiel → workload → capaciteitsbehoefte.
Daarbij is de planningshorizon cruciaal, omdat niet iedere vorm van capaciteit even snel kan worden aangepast. Extra flexmedewerkers zijn misschien relatief snel te organiseren, maar structureel meer opslagruimte of extra docks niet. Hoe langer de doorlooptijd om capaciteit aan te passen, hoe verder vooruit een organisatie dus moet kijken. Goede scenarioplanning voorkomt daarmee dat je pas begint na te denken over capaciteit wanneer het probleem zich al in de operatie manifesteert.
Dat vooruitkijken is bovendien geen exclusieve verantwoordelijkheid van Supply Chain of Logistiek. Sales, Marketing, R&D, Inkoop, Finance en externe ketenpartners beschikken allemaal over informatie die relevant is voor mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Door die kennis samen te brengen, ontstaat een integraal beeld van wat er op de keten af kán komen en welke consequenties verschillende ontwikkelingen hebben. Dat is voor ons een belangrijk onderdeel van écht Supply Chain Management: over afdelingen en bedrijfsmuren heen kijken en gezamenlijk de consequenties voor de hele keten begrijpen.
Zelfs met goede data, een scherpe klantbelofte en gedegen scenario’s blijft één zekerheid bestaan: de werkelijkheid houdt zich niet altijd aan het plan. Veel supply chains strekken zich uit over de hele wereld en zijn afhankelijk van leveranciers, productielocaties, havens, transportmodaliteiten en logistiek dienstverleners waar een individuele onderneming maar beperkt invloed op heeft. Lead times van acht weken zijn niet uitzonderlijk en voor kritische producten wordt nog regelmatig met één leverancier gewerkt. Zolang alles volgens plan verloopt kan zo’n keten bijzonder efficiënt zijn, maar juist in de afwijkingen wordt duidelijk hoe weerbaar die keten werkelijk is.
Onvoldoende transportcapaciteit in India, een staking in de haven van Rotterdam, conflicten in het Midden-Oosten waardoor schepen moeten omvaren of lage waterstanden op Europese rivieren kunnen allemaal grote operationele gevolgen hebben. De directe oorzaak ligt buiten de eigen organisatie, maar de effecten worden wel degelijk intern gevoeld in voorraadbeschikbaarheid, lead times, opslagvolumes en transportkosten. Uiteindelijk raken dergelijke verstoringen daarmee de drie elementen van de Supply Chain Triangle: Service, Cash en Cost. Het is daarom onvoldoende om alleen te weten hoeveel volume een supply chain onder normale omstandigheden kan verwerken.
Schaalbaarheid gaat ook over het vermogen om te blijven bewegen wanneer de werkelijkheid afwijkt van het plan. Daarvoor moet duidelijk zijn welke leveranciers, producten, productielocaties, dienstverleners, havens, transportmodaliteiten en routes kritisch zijn en wat er verderop in de keten gebeurt wanneer één van die schakels tijdelijk wegvalt. Het doel is daarbij niet om ieder denkbaar risico uit de supply chain te elimineren, want dat is onmogelijk en bovendien onbetaalbaar. Weerbaarheid kost geld en vraagt daarom om bewuste keuzes over waar risico wordt geaccepteerd en waar flexibiliteit of redundantie noodzakelijk is.
Data, dashboards en scenarioanalyses helpen om die afweging expliciet te maken. Door afhankelijkheden en kwetsbaarheden zichtbaar te maken, kunnen we bepalen wat een verstoring betekent voor voorraad, ketenkosten, klantbelofte en uiteindelijk het ondernemingsrendement. Grip betekent dus niet dat er niets meer mis kan gaan, maar dat je weet waar het mis kán gaan, welke consequenties dat heeft en welke maatregelen beschikbaar zijn om de impact te beperken. Die vorm van grip is een belangrijke voorwaarde voor een schaalbare én weerbare supply chain.
Daarmee komen we bij het element waarin de voorgaande vier samenkomen: het daadwerkelijke aanpassingsvermogen van de supply chain. Een schaalbare supply chain moet niet alleen méér volume kunnen verwerken, maar ook kunnen afschalen, alternatieven kunnen inzetten en zich kunnen aanpassen wanneer volumes, klantvragen of externe omstandigheden veranderen. Het gaat daarmee niet uitsluitend om de hoeveelheid capaciteit die beschikbaar is, maar vooral om de opties die een organisatie heeft wanneer aanpassing noodzakelijk wordt. Een efficiënte keten met nauwelijks alternatieven kan in dat opzicht aanzienlijk minder schaalbaar zijn dan een keten die bewust enige flexibiliteit heeft georganiseerd.
Dat begint al aan de voorkant van de keten met de gekozen sourcingstrategie. Voor kritische producten maakt het een groot verschil of een organisatie volledig afhankelijk is van één leverancier of bewust mogelijkheden voor multiple sourcing heeft gecreëerd. Hetzelfde geldt voor inboundlogistiek, waar alternatieve transportmodaliteiten, vervoerders of routes waardevol kunnen zijn wanneer de reguliere oplossing tijdelijk niet beschikbaar of economisch niet aantrekkelijk is. De vraag is daarbij niet alleen óf een alternatief bestaat, maar ook hoe snel dat alternatief daadwerkelijk kan worden geactiveerd.
Binnen het distributiecentrum wordt het aanpassingsvermogen weer door andere factoren bepaald. De verhouding tussen vaste en flexibele medewerkers speelt daarbij een rol, maar minstens zo belangrijk zijn de mate waarin processen zijn gestandaardiseerd en medewerkers multifunctioneel inzetbaar zijn. Een competentie- en inzetbaarheidsmatrix kan bijvoorbeeld zichtbaar maken welke medewerkers meerdere werkzaamheden beheersen en waar juist kwetsbaarheden in de bezetting zitten. Wanneer extra flexmedewerkers nodig zijn, bepaalt bovendien de snelheid waarmee zij kunnen worden ingewerkt en het gewenste productiviteitsniveau bereiken hoeveel extra capaciteit op korte termijn werkelijk beschikbaar kan worden gemaakt.
Ook beschikbare werktijden en de hoeveelheid ‘slack’ in equipment bepalen hoeveel speelruimte een operatie daadwerkelijk heeft. Een warehouse dat structureel tegen de maximale bezetting van mensen, MHE of andere middelen draait, kan op papier zeer efficiënt lijken maar heeft weinig ruimte om een onverwachte piek op te vangen. Tegelijkertijd hoeft niet alle flexibiliteit binnen de eigen bedrijfsmuren georganiseerd te worden, want logistiek dienstverleners, vervoerders, uitzendpartners en andere externe partijen kunnen eveneens onderdeel zijn van het schaalbare model. Het gaat er uiteindelijk om dat duidelijk is welke opties beschikbaar zijn, hoeveel extra capaciteit ze opleveren en binnen welke termijn ze kunnen worden ingezet.
Wanneer we de vijf elementen bij elkaar brengen, ontstaat een bredere definitie van schaalbaarheid dan alleen de vraag hoeveel capaciteit een warehouse of supply chain heeft. Data vertelt waar je staat en waar de operatie werkelijk wordt belast, terwijl de klantbelofte bepaalt welke prestaties je onder verschillende omstandigheden moet blijven leveren. Scenario’s maken vervolgens voorstelbaar wat er op de organisatie af kan komen en grip op afhankelijkheden laat zien waar de keten kwetsbaar is. Het Operating Model bepaalt uiteindelijk hoe snel en effectief de organisatie daarop kan reageren.
Juist die samenhang is belangrijk, omdat optimalisatie van één onderdeel niet automatisch leidt tot een schaalbare keten. Een zeer efficiënte operatie zonder vrije capaciteit kan kwetsbaar zijn, terwijl veel redundantie de weerbaarheid verhoogt maar tegelijkertijd Cash en Cost onder druk kan zetten. Ook een zeer ambitieuze klantbelofte kan commercieel aantrekkelijk zijn, maar alleen duurzaam worden waargemaakt wanneer processen, voorraad, systemen, mensen en capaciteit daarop aansluiten. Schaalbaarheid vraagt daarom voortdurend om een bewuste afweging tussen Service, Cash en Cost.
Bij SCEX brengen we deze elementen samen in onder meer het framework van het Operating Model, in onze dashboards, de scenariostudies en HRM-toolkit. Daarmee maken we niet alleen zichtbaar waar de huidige grenzen van een supply chain liggen, maar ook welke factoren die grenzen bepalen, hoeveel flexibiliteit beschikbaar is en hoe snel extra capaciteit kan worden georganiseerd.
Vervolgens kunnen we inzichtelijk maken welke keuzes nodig zijn om het aanpassingsvermogen en de weerbaarheid te vergroten en wat die keuzes betekenen voor de klantbelofte, ketenkosten, werkkapitaal en het ondernemingsrendement. Zo wordt schaalbaarheid geen abstract begrip, maar een vraagstuk dat met data kan worden geanalyseerd en waarop gericht kan worden gestuurd.
Een schaalbare supply chain is wat ons betreft dan ook niet de keten met de meeste capaciteit, maar de keten die weet welke capaciteit wanneer nodig is en voldoende opties heeft om zich aan te passen wanneer de omstandigheden veranderen. Dat betekent dat je vooruitkijkt zonder te pretenderen de toekomst exact te kunnen voorspellen en flexibiliteit organiseert zonder ieder denkbaar risico tegen elke prijs af te dekken. Het betekent vooral dat je weet aan welke knoppen je kunt draaien, hoeveel speelruimte die bieden en hoe snel je ze kunt inzetten zonder de grip op Service, Cash en Cost te verliezen. En daarmee resteert uiteindelijk één belangrijke vraag: hoe schaalbaar is jouw supply chain écht?
Wil je inzicht krijgen in de schaalbaarheid van jouw supply chain en weten waar de belangrijkste kansen en kwetsbaarheden liggen? We laten graag zien hoe we dit met onze tools, kennis en expertise inzichtelijk maken.





Ben je benieuwd hoe we de productiviteit van jouw warehouse kunnen verhogen? Neem contact op met SCEX,