Alles kan vervoerd worden. Voorbeelden te over. Soms standaard, maar vaak ook specialistisch werk ‘convoy exceptionnel’. In mijn woonplaats Nijmegen bijvoorbeeld de gigantische heftrucks en reactstackers van Hyster die in de industriehaven aan het Maas Waal Kanaal op pontons worden geladen en via de binnenvaart hun weg vinden naar Rotterdam en Antwerpen. En vandaar hun weg vervolgen over de wereldzeeën. Of de megatransformatoren van Royal Smit, ook al zo’n oer Nimweegs bedrijf. Elke donderdagnacht worden voor het transport van de fabriek aan de Groenestraat naar diezelfde binnenhaven (in omvang de 4e haven van Nederland) speciaal de stoplichten gedraaid en de bovenleiding van het spoor omhooggeduwd. Anders passen die joekels er simpelweg niet langs en door.
Of neem nijlpaarden (die niet in Nimma worden gemaakt). Kolossaal en onhandelbaar in elk opzicht. Lastig te transporteren. Daarom niet ieders meug. Meer iets voor verhuizers die erkend van alle markten thuis zijn. Zou zeggen dat de logistieke kennis en vaardigheid daaromtrent vooral in Egypte moet worden gezocht. Misschien in de tijd van Toetanchamon maar in de tegenwoordige tijd niet meer! In ‘Het land van de Nijl’ is sinds jaar en dag geen nijlpaard meer te vinden. Die baddert nu veel zuidelijker, in Botswana en Kenya.
Maar daar niet alleen. Doen ze ook in Colombia in Zuid-Amerika. Geen natuurlijke omgeving voor nijlpaarden. Het zijn de eerste exemplaren daar, sinds Columbus Amerika ontdekte. Ze horen er dus niet. En daarom moeten ze weg. Maar waar naartoe? En hoe zijn ze daar gekomen? Via drugs.
Dat zit zo. Aan de oever van de Colombiaanse Magdalenarivier had een stinkend rijke cocaïnehandelaar een dierentuin. In zijn eigen Artis wilde hij ook nijlpaarden. Waarom weet niemand. Want waarom zou je? Wellicht uit een soort beroepstrots. Om te laten zien dat wat hij met verdovende middelen kon, ook kon met andere dubieuze verzendingen. Een nijlpaard smokkelen of zelfs volgens de regels importeren doe je immers niet zomaar. Wat ook kan, is pronkzucht. Dat hij in het drie ton wegende dier de ultieme expressie zag van zijn eigen rijkdom. Zware jongens onder mekaar. Gevalletje dikdoenerij.
In Colombia hadden de nieuwkomers het best naar hun zin, zo blijkt. Want sinds de komst van het eerste nijlpaardenkoppel plast en proest er in het stroomgebied van de belangrijkste rivier van Colombia nu een hele kudde rond. Tachtig exemplaren maar liefst. En dat is te veel. Ze veroorzaken overlast. In dertig jaar in een Zuid-Amerikaans oerwoud zijn de nijlpaarden er uitgedijd van grappige gasten tot invasieve exoten. Natuurlijke vijanden hebben ze er niet. Wat te doen? Afschieten? Inblikken? Of iets anders strengs.
Het is de hippopotamus niet aan te zien. Toch blijken ze in staat warme gevoelens op te kunnen wekken. In dit geval in de persoon van een ‘andere’ miljonair. Deze rijkste man van Azië wil zich wel over de ongewenste schare dikhuiden ontfermen. Heeft in India, ook een privé-dierentuin, een gebied van 1400 hectare tot zijn beschikking. In de hitte daar, lopen en kruipen al 52 duizend dieren rond. Voor een stelletje verweesde ‘rivierpaarden’ is er nog wel plaats in de Indiase ‘herberg’. Maar de vraag is, hoe komen ze daar?
Laten we beginnen bij het begin en de feiten onder ogen zien. Nijlpaarden zijn bepaald moeders mooiste niet; al zullen die daar zelf hoogstwaarschijnlijk een andere kijk op hebben. Aan buitenstaanders is die nuance evenwel niet besteed. Zij vinden nijlpaarden eng. De uiterst geringe aaibaarheidsfactor staat hen tegen. Vinden dat die dieren gemelijk kijken, uit die kraaloogjes. Hun super lage irritatiedrempel werkt ook al niet mee. Niets maakt ze nijdiger terwijl zij op het vaste land aan het foerageren zijn, dan een of andere sukkel met de gore moed om precies tussen hen en ‘hun’ rivier in te gaan staan waar ze net zijn uitgeklommen. Zal het amfibische trekje in ze zijn.
De taferelen van territoriumdrift zijn zowel natuurfilmwaardig als leerzaam. Bijvoorbeeld voor wie aan de weet wil komen dat nijlpaarden hun tanden niet hebben om te eten – dat doen ze met hun lippen – maar om gemeen te bijten. Een carnivoor soort kauwen, eigenlijk, en dat voor een vegetariër.
Probeerde me een voorstelling te maken van het nijlpaardenechtpaar dat, aangespoord door de mare van de nakende Zonsvloed, komt aandraven, roepend dat ze mee willen met de Ark van Noah. Je ziet Noah bedenkelijk kijken. Tracht hun gewicht te taxeren dat straks over de loopplank dendert. ‘Moet dat nou’ vraagt hij zich af. ‘Kunnen jullie niet gewoon zwemmen of zo?’
‘Zwemmen, hoezo zwemmen’ reageert het logge koppel verbolgen. ‘Waar zie je ons voor aan, vissen? We kunnen helemaal niet zwemmen. Wij zijn bodemlopers. Met uitstapjes naar de wal. Af en toe om te grazen. Moet er wel zoiets zijn als een wal, natuurlijk’. ‘Nou vooruit dan maar’ verzucht Noah. ‘Wel ergens midscheeps in de Ark gaan zitten. Anders slaan we om!’
Het valt natuurlijk niet te bewijzen maar een oudtestamentische dialoog in dier voege zou wel eens de verklaring kunnen zijn voor dat permanent verongelijkte dat sinds heugenis de Hippopotamus Amphibiusonder de nijlpaardenfamilie is blijven kenmerken.
Er is ook nog een andere theorie. Zo werd in het oude Egypte een god aanbeden die er uit zag als een nijlpaard. Die godheid was een echte oproerkraaier. Deed niets liever dan stervelingen de stuipen op het lijf jagen. Gek op chaos. De grootste lol als de boel in de honderd liep. Blijft de vraag: wie was er het eerst: de kip of het ei. Met andere woorden: nam die bovennatuurlijke pestkop voor de gein de verschijningsvorm van een nijlpaard aan of spiegelt het nijpaard zich sindsdien, in aard en wezen, aan het verfoeilijke gedrag van dat opperwezen?
Ondanks dat eigengereide is ondertussen wel bewezen: aanpassen kunnen ze zich, die nijlpaarden, De transitie van het ene continent naar het andere heeft geen ontwortelingstrauma te weeg gebracht. Althans, niet bij hen. Wel bij de Colombianen. Vandaar dat de veterinaire uitreisvisa klaarliggen.
Wordt vervolgd…
Casper Jansen