Bij de marine moeten we zijn

Volgens de militairen die ik ken, werden zij soldaat om de vrede te bewaren. ‘En al dat pief, paf, poef dan’, vroeg ik dan plagerig. ‘Oh, dat. Dat is om de vijand niet op foute gedachten te brengen. Beetje afschrikken en zo’. Bij gebrek aan een duidelijke vijand specialiseerde ons leger zich in vredesmissies die, als het politiek knelde, opbouwmissies werden genoemd. Wie of wat een echte vijand was, dreigde in het vergeetboek te geraken. Sinds twee jaar weten we het weer. 

Kennelijk is er altijd een vijand nodig om weer te snappen hoe fragiel vrede kan zijn. Journaalbeelden laten ons vaak troepenbewegingen in Oost-Europa zien. Van binnen en aan de rand van het NAVO-gebied. Soms erboven. Daardoor vergaten we een beetje dat er voor een serieuze krijgsinspanning niet alleen ter land en in de lucht maar ook ter zee paraat moet worden gestaan.

Welnu, van die militaire amnesie zijn we sinds kort genezen. Meer nog, de uitbetaling van het vredesdividend van de voorbije decaden komt ons nu duur te staan. Door aankoop van vier duikboten. Een miljard per stuk.

Nog een hele toestand want wie dacht dat er in de NAVO één soort duikboot in de vaart is en de opvolger ook van een en hetzelfde type is, heeft het krijgsmétier niet begrepen. Zo voer onze zeemacht met vier ‘eigen’ onderzeeërs uit de Walrusklasse. Met die vaartuigen lieten we onze marine net zo lang doorvaren totdat er twee moeten worden opgedoekt om reserveonderdelen te hebben voor de twee achterblijvers. Ver over de houdbaarheidsdatum. Hoog tijd voor iets nieuws. Maar welke onderzeeër moet de Walrussen opvolgen? Een Franse. Duitse of een van Zweeds – Nederlandse makelij.

De ‘beste boot voor de beste prijs’ moest het worden. Al waren er ook marinemensen die gewoon goed ook prima vonden. Voorstanders van versterking van de eigen maakindustrie waren gauw klaar. Rood-wit-blauw in top. De boten dienen van een Nederlandse werf te water worden gelaten. Nog versterkt door meningen dat onder het nieuwe industriebeleid ook defensiematerieel dient worden geschaard. En trouwens, wat zou het niet leuk zijn om Zweden, het nieuwe NAVO-lid, te verwelkomen met een opdracht in stijl.

Inmiddels weten we dat onze regering onze marine het liefst op z’n Frans onderwater wil laten duiken. Uit de roofvissige namen van de vier exemplaren – Barracuda, Tijgerhaai, Orka, Zwaardvis – valt af te leiden dat het de onderzeedienst ernst is met de nieuwe rol onder het oppervlak van de wereldzeeën. Begrijp ik wel want, anders dan bij een fregat die er met allerlei vechtparafernalia op het dek altijd heel erg strijdbaar uitziet, is een onderzeeboot niet zo gauw aan te zien dat het er kwaad kersen mee eten is. Goeie lobbessen, zo te zien. Doen eerder denken aan een goeie ouderwetse sigaar of een rolmops. Totdat je bedenkt dat ze er precies zo uitzien als waarmee ze kunnen schieten: een torpedo. Dart noem ik pas efficiënt.

Wij, van SCEX, gaan niet over het wikken wegen van politici. Wij brengen en wij halen spullen van A naar B, inclusief alle handelingen er tussenin. Ook qua verpakking. En in dat opzicht laten onderzeeërs zien dat zij heel erg ‘ketenintegraal’  zijn. Zelden een nauwere afstemming – letterlijk – gezien tussen technologische immobiliteit en menselijke mobiliteit in één verpakking: de scheepshuid van een onderzeeër. Niets verkeerds aan om je daardoor, als ontwerpers van logistieke verpakkingen, te laten inspireren. Daarom zing ik met Dorus – u weet wel, die man van de Twee Motten – het zeer toepasselijke: ‘Zorrug, dat je d’r bij komt, bij de Marine moet je zijn’.

Casper Jansen

Photo by Sung Jin Cho on Unsplash

Gerelateerde blogs

Bekijk alle blogs